Zelfrechtvaardiging

Als feilbare mensen, mensen die niet perfect zijn, delen we allemaal de impuls om ons gedrag te rechtvaardigen en zijn we geneigd om het nemen van verantwoordelijkheid te vermijden voor domme acties die leiden tot schade of acties die immoreel zijn (Tavris & Aronson, 2007). Dit fenomeen heet zelfrechtvaardiging. De neiging om de eigen acties te rechtvaardigen om de zelfachting in stand te houden (Aronson, Wilson & Akert, 2007). De meeste mensen vinden het maar moeilijk om ‘’ik zat fout, ik heb een verschrikkelijke fout gemaakt’’ te zeggen. Het is veel makkelijker om te zeggen dat er niets anders mogelijk was wat je had kunnen doen en dat het zijn, haar, of hun verdiende loon was (Tavris & Aronson, 2007).

Zelfkennis

Sinds het begin van je leven verzamel je informatie over jezelf. Zo weet je automatisch of je bepaald soort eten lekker vindt of niet. Of je een intelligent persoon bent, of je knap en grappig bent of niet. Een manier waarop dit gebeurt is door associaties ofwel conditionering. Je leraar op de basisschool zei bijvoorbeeld altijd dat je een slimme meid was, je klasgenoten moesten vaak lachen, of juist niet wanneer je een grap maakte en je opa en oma vonden je altijd een mooi meisje. Door bij jezelf naar binnen te kijken, introspectie weet je of je iets mooi of lelijk vindt, of je ergens voor of tegen bent of dat je ergens heel zeker van bent of juist onzeker. Een andere manier van vergaren van kennis over jezelf volgens de zelfperceptietheorie is door op een vrij nuchtere, objectieve manier naar je eigen gedrag te kijken en daaruit af te leiden wat je persoonlijkheidskenmerken zijn. Hierbij kijk je van buitenaf naar jezelf in verschillende situaties en leid je persoonlijkheidseigenschappen af. Toen de caissière mij teveel geld terug gaf heb ik dit direct gemeld en het teveel gekregen geld terug gegeven. Toen ik de kans had om mijzelf te bevoordelen ten opzichte van anderen bij de verdeling van het budget heb ik dat niet gedaan. Toen ik het belastingformulier invulde had ik de bedragen in mijn voordeel kunnen veranderen maar dat heb ik niet gedaan. Conclusie, ik moet dus wel een eerlijk (aardig, intelligent, doorzetter etc.) persoon zijn.

 

Zelfconcept

Zelfconcept

Zelfwaardering

Al deze informatie samen over jezelf leidt niet alleen tot zelfkennis maar ook tot een evaluatie, een waardering van de dingen die je over jezelf weet. Bijvoorbeeld, ik ben slim (positief) of ik ben lui (negatief). Deze specifieke evaluaties bij elkaar opgeteld leiden ook tot een algeheel oordeel over jezelf, je zelfwaardering. Over het algemeen hebben psychologisch gezonde mensen een hoger dan gemiddelde zelfwaardering (Vonk, 2007). ‘’Ik kan beter auto rijden dan de gemiddelde Nederlander’’ en ‘’In het huishouden (of in het team) lever ik een bijdrage van 70%’’ (en je partner / teamgenoten beweert / beweren hetzelfde). Informatie die we vergaren over onszelf is echter zelden objectief. Bij het vergaren van informatie over onszelf spelen een aantal motieven mee. Ten eerste het zelfverheffingsmotief, we hechten een grote waarde aan informatie die ons in een positief daglicht stelt. Ofwel informatie die onze zelfwaardering omhoog doet gaan. Ten tweede vinden we het fijn als nieuwe informatie over onszelf overeenkomt met informatie die we al hadden zodat we er een stabiel en samenhangend zelfbeeld op na kunnen houden. Het derde motief is het accuraatheidsmotief, we willen dat de informatie overeenkomt met de werkelijkheid. Het laatste motief is de zelverbeteringsmotief, we streven ernaar om onszelf te verbeteren en te ontplooien (Vonk, 2009).

 

De motor achter zelfrechtvaardiging

Wanneer gaat het mis? Stel je hebt een beeld van jezelf dat je een intelligent persoon bent. Vanuit het verleden heb je diverse voorbeelden waarop deze gedachte gestoeld is. Door omstandigheden voel je de laatste tijd echter veel stress en ben je daardoor begonnen met roken. Als een intelligent persoon weet je dat roken slecht is voor je gezondheid en dat je eigenlijk beter af zou zijn als je niet rookt. Toch lukt het je maar niet om te stoppen. Je zelfbeeld als intelligent persoon en je gedrag als roker zijn eigenlijk niet te verenigen met elkaar. Je gedrag brengt je positieve zelfbeeld in gevaar. Deze discrepantie tussen je zelfbeeld en je feitelijke gedrag leidt tot een onaangename spanning, ook wel cognitieve dissonantie genaamd. Mensen rusten niet tot ze deze spanning kunnen verminderen (Tavris & Aronson, 2011). Een manier om deze spanning te verminderen is om je gedrag aan te passen. Stoppen met roken zou de spanning direct weg nemen. Helaas is het bij roken door onder andere verslaving aan nicotine niet altijd mogelijk om je gedrag direct aan te passen. In dat geval heeft ons brein een trucje, je past je overtuiging aan. ‘’Sigaretten zijn niet zo schadelijk als wordt beweerd.’’ Of “Je moet toch ergens aan dood gaan?’’ Als we onszelf overtuigen van deze gedachten hebben we minder of geen onaangename spanning meer. Een ander voorbeeld is bijvoorbeeld wanneer partners elkaar beschuldigen van de situatie waarin ze zijn beland. Vrouw: ‘’Hij is altijd zo stil. Ik moet altijd alles uit hem trekken, hij vertelt nooit wat uit zichzelf’’. Man: ‘’Zij zet me altijd zo onder druk dat ik geen zin meer heb om iets te vertellen, als zij niet zo zou trekken zou ik niet zo stil zijn’’. Partners zitten in een conflict situatie en schrijven de oorzaak van hun gedragingen toe aan de ander. Want ja, zeg nou zelf, ‘’Het ligt toch zeker niet aan mij (ik ben slim, sociaal etc.) dat we niet met elkaar kunnen opschieten, ik kan verder met iedereen opschieten, behalve met jou.’’

 

Cognitive dissonance

Cognitieve dissonantie

Wanneer we andermans gedrag observeren zijn we geneigd om dit gedrag toe te schrijven aan de persoonlijkheid van die persoon en hebben we de neiging om situationele factoren die mogelijk een rol spelen te onderschatten. Wanneer we ons zelf op een bepaalde manier gedragen schrijven we de oorzaken meer toe aan de situatie. In de ene situatie zijn we acteur (en beschikken we onder andere over alle informatie over de situatie die geleid heeft tot ons eigen gedrag), in de andere zijn we een observer en zien we alleen het gedrag dat de ander vertoont (we hebben minder of zelfs geen inzicht in de situationele factoren die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van het gedrag). Dus als voorbeeld, wanneer Kees te laat verschijnt op zijn afspraken dan oordelen we snel dat Kees het niet al te nauw neemt met afspraken en dat hij in dit opzicht een onbetrouwbaar persoon is. We schrijven zijn gedrag toe aan stabiele oorzaken die binnen Kees zelf liggen, zijn persoonlijkheid ofwel karakter.  Wanneer wij zelf een aantal keren te laat komen (negatief gedrag vertonen) dan weten we dat het komt doordat we de ene keer nog even snel moesten tanken, de volgende keer de brug afgesloten was en de derde keer was onze accu van de telefoon leeg waardoor we niet op tijd op pad gingen. De oorzaken zijn onstabiel (eenmalig) en lagen buiten onze controle. Dit verschil, gedrag bij een ander toewijzen aan de persoonlijkheid en bij onszelf aan de situatie  wordt ook wel de fundamentele attributiefout genoemd. Het verschil, gedrag bij een ander toewijzen aan  interne oorzaken bij die persoon en aan externe oorzaken bij onszelf heet de actor-observer bias. Dit alles samen en nog veel meer vertekeningen in ons brein, bijvoorbeeld slectieve herinneringen zorgen ervoor dat we een consistent en samenhangend verhaal kunnen verzinnen waardoor onze zelfwaardering niet teveel hoeft te leiden.

 

Interne – Externe / Stabiele- Onstabiele attributie

 

Bronnen:

Aronson, E., Wilson, T. D., & Akert, R. M. (2007). Social psychology.

Tavris, C., & Aronson, E. (2007). Mistakes were made (but not by me): Why we justify foolish beliefs, bad decisions, and hurtful acts. Orlando, Fla: Harcourt.

Vonk, R. (2009). Sociale Psychologie. (2e druk). Groningen / Houten: Wolters-Noordhoff

FacebookTwitterGoogle+Share

lees meer

 

Van IST naar SOLL

 

Veranderen

Van IST naar SOLL

 

Wat is nu het probleem? (De IST situatie) ‘’Hoe komt het dat …?’’

  • Waarom is het een probleem en voor wie?
  • Wie ligt waar wakker van en waarom?
  • Wie zijn de betrokkenen bij het probleem en waarom is het probleem voor hen van belang?
  • Wat gaat er eigenlijk concreet fout?
  • Waarom is dat erg?
  • Inventariseer de visies op het probleem.

Wat voor soort probleem is het?

  • Algemeen of specifiek?
  • Is er sprake van concrete gedragingen, attitudes en affectieve reacties bij een aanwijsbare groep mensen?
  • Sociaal psychologisch? (Is het van buitenaf te beïnvloeden?)
  • Is het een individueel of groepsprobleem?
  • Is het een politiek-maatschappelijk, economisch of technisch probleem?
  • Welke aspecten heeft het probleem?
  • Wat zijn de belangrijke en minder belangrijke aspecten?
  • Welk verband is er tussen de aspecten?

Wat zijn mogelijke oorzaken van het probleem?

  • Hoe zou het probleem kunnen zijn ontstaan?
  • Waardoor wordt het probleem veroorzaakt?
  • Via welk proces brengen deze oorzaken het probleem tot stand?

Lijkt het probleem beïnvloedbaar / oplosbaar?

  • Waarom is het probleem nog niet opgelost?
  • Heeft het probleem een positieve functie voor sommige betrokkenen?
  • Wil men het probleem oplossen?
  • Is het mogelijk de relevante attitudes en gedragingen te veranderen?
  • Is er tijd, geld, energie en draagvlak om het probleem op te lossen?
  • Is het wenselijk het probleem op te lossen?
  • Is het probleem een echt probleem?
  • Is er een ethisch verantwoorde oplossing?

Wat doen we er nu aan en werkt dit?

  • ………, ja. Waarom is het dan nog een probleem?
  • ………, nee. Wat kunnen we anders doen zodat het probleem zich niet meer voordoet?

 

"Plan

Plan > Do > Check > Act cyclus

 

Hoe ziet de ideale situatie (de SOLL situatie) er uit?

  • Waaraan zouden we merken dat het probleem opgelost is?

Wat zou er volgens jou gedaan moeten worden om tot de ideale / SOLL situatie te komen?

  • Ieder voor zich zonder de naam erbij, in stilte op papier, de mogelijke oplossingen die in je opkomen opschrijven. ‘’Ik denk dat …’’.
  • Wanneer iedereen klaar is de papieren verzamelen, door elkaar husselen en aan de deelnemers uitdelen zodat hopelijk de meesten iemand anders’ papiertje krijgen.
  • Vervolgens per persoon  de briefjes voor laten lezen en door iemand over laten nemen op een flipover vel of whiteboard.
  • Uit de hele lijst een top drie van oplossingen filteren door per oplossing deelnemers te laten stemmen.

Wie gaat wat doen? (SMART)

  • Hoe gaan we dat doen?
  • Wanneer gaan we dat doen?

Wanneer evalueren we de nieuwe interventie?


lees meer