Zelfrechtvaardiging

Als feilbare mensen, mensen die niet perfect zijn, delen we allemaal de impuls om ons gedrag te rechtvaardigen en zijn we geneigd om het nemen van verantwoordelijkheid te vermijden voor domme acties die leiden tot schade of acties die immoreel zijn (Tavris & Aronson, 2007). Dit fenomeen heet zelfrechtvaardiging. De neiging om de eigen acties te rechtvaardigen om de zelfachting in stand te houden (Aronson, Wilson & Akert, 2007). De meeste mensen vinden het maar moeilijk om ‘’ik zat fout, ik heb een verschrikkelijke fout gemaakt’’ te zeggen. Het is veel makkelijker om te zeggen dat er niets anders mogelijk was wat je had kunnen doen en dat het zijn, haar, of hun verdiende loon was (Tavris & Aronson, 2007).

Zelfkennis

Sinds het begin van je leven verzamel je informatie over jezelf. Zo weet je automatisch of je bepaald soort eten lekker vindt of niet. Of je een intelligent persoon bent, of je knap en grappig bent of niet. Een manier waarop dit gebeurt is door associaties ofwel conditionering. Je leraar op de basisschool zei bijvoorbeeld altijd dat je een slimme meid was, je klasgenoten moesten vaak lachen, of juist niet wanneer je een grap maakte en je opa en oma vonden je altijd een mooi meisje. Door bij jezelf naar binnen te kijken, introspectie weet je of je iets mooi of lelijk vindt, of je ergens voor of tegen bent of dat je ergens heel zeker van bent of juist onzeker. Een andere manier van vergaren van kennis over jezelf volgens de zelfperceptietheorie is door op een vrij nuchtere, objectieve manier naar je eigen gedrag te kijken en daaruit af te leiden wat je persoonlijkheidskenmerken zijn. Hierbij kijk je van buitenaf naar jezelf in verschillende situaties en leid je persoonlijkheidseigenschappen af. Toen de caissière mij teveel geld terug gaf heb ik dit direct gemeld en het teveel gekregen geld terug gegeven. Toen ik de kans had om mijzelf te bevoordelen ten opzichte van anderen bij de verdeling van het budget heb ik dat niet gedaan. Toen ik het belastingformulier invulde had ik de bedragen in mijn voordeel kunnen veranderen maar dat heb ik niet gedaan. Conclusie, ik moet dus wel een eerlijk (aardig, intelligent, doorzetter etc.) persoon zijn.

 

Zelfconcept

Zelfconcept

Zelfwaardering

Al deze informatie samen over jezelf leidt niet alleen tot zelfkennis maar ook tot een evaluatie, een waardering van de dingen die je over jezelf weet. Bijvoorbeeld, ik ben slim (positief) of ik ben lui (negatief). Deze specifieke evaluaties bij elkaar opgeteld leiden ook tot een algeheel oordeel over jezelf, je zelfwaardering. Over het algemeen hebben psychologisch gezonde mensen een hoger dan gemiddelde zelfwaardering (Vonk, 2007). ‘’Ik kan beter auto rijden dan de gemiddelde Nederlander’’ en ‘’In het huishouden (of in het team) lever ik een bijdrage van 70%’’ (en je partner / teamgenoten beweert / beweren hetzelfde). Informatie die we vergaren over onszelf is echter zelden objectief. Bij het vergaren van informatie over onszelf spelen een aantal motieven mee. Ten eerste het zelfverheffingsmotief, we hechten een grote waarde aan informatie die ons in een positief daglicht stelt. Ofwel informatie die onze zelfwaardering omhoog doet gaan. Ten tweede vinden we het fijn als nieuwe informatie over onszelf overeenkomt met informatie die we al hadden zodat we er een stabiel en samenhangend zelfbeeld op na kunnen houden. Het derde motief is het accuraatheidsmotief, we willen dat de informatie overeenkomt met de werkelijkheid. Het laatste motief is de zelverbeteringsmotief, we streven ernaar om onszelf te verbeteren en te ontplooien (Vonk, 2009).

 

De motor achter zelfrechtvaardiging

Wanneer gaat het mis? Stel je hebt een beeld van jezelf dat je een intelligent persoon bent. Vanuit het verleden heb je diverse voorbeelden waarop deze gedachte gestoeld is. Door omstandigheden voel je de laatste tijd echter veel stress en ben je daardoor begonnen met roken. Als een intelligent persoon weet je dat roken slecht is voor je gezondheid en dat je eigenlijk beter af zou zijn als je niet rookt. Toch lukt het je maar niet om te stoppen. Je zelfbeeld als intelligent persoon en je gedrag als roker zijn eigenlijk niet te verenigen met elkaar. Je gedrag brengt je positieve zelfbeeld in gevaar. Deze discrepantie tussen je zelfbeeld en je feitelijke gedrag leidt tot een onaangename spanning, ook wel cognitieve dissonantie genaamd. Mensen rusten niet tot ze deze spanning kunnen verminderen (Tavris & Aronson, 2011). Een manier om deze spanning te verminderen is om je gedrag aan te passen. Stoppen met roken zou de spanning direct weg nemen. Helaas is het bij roken door onder andere verslaving aan nicotine niet altijd mogelijk om je gedrag direct aan te passen. In dat geval heeft ons brein een trucje, je past je overtuiging aan. ‘’Sigaretten zijn niet zo schadelijk als wordt beweerd.’’ Of “Je moet toch ergens aan dood gaan?’’ Als we onszelf overtuigen van deze gedachten hebben we minder of geen onaangename spanning meer. Een ander voorbeeld is bijvoorbeeld wanneer partners elkaar beschuldigen van de situatie waarin ze zijn beland. Vrouw: ‘’Hij is altijd zo stil. Ik moet altijd alles uit hem trekken, hij vertelt nooit wat uit zichzelf’’. Man: ‘’Zij zet me altijd zo onder druk dat ik geen zin meer heb om iets te vertellen, als zij niet zo zou trekken zou ik niet zo stil zijn’’. Partners zitten in een conflict situatie en schrijven de oorzaak van hun gedragingen toe aan de ander. Want ja, zeg nou zelf, ‘’Het ligt toch zeker niet aan mij (ik ben slim, sociaal etc.) dat we niet met elkaar kunnen opschieten, ik kan verder met iedereen opschieten, behalve met jou.’’

 

Cognitive dissonance

Cognitieve dissonantie

Wanneer we andermans gedrag observeren zijn we geneigd om dit gedrag toe te schrijven aan de persoonlijkheid van die persoon en hebben we de neiging om situationele factoren die mogelijk een rol spelen te onderschatten. Wanneer we ons zelf op een bepaalde manier gedragen schrijven we de oorzaken meer toe aan de situatie. In de ene situatie zijn we acteur (en beschikken we onder andere over alle informatie over de situatie die geleid heeft tot ons eigen gedrag), in de andere zijn we een observer en zien we alleen het gedrag dat de ander vertoont (we hebben minder of zelfs geen inzicht in de situationele factoren die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van het gedrag). Dus als voorbeeld, wanneer Kees te laat verschijnt op zijn afspraken dan oordelen we snel dat Kees het niet al te nauw neemt met afspraken en dat hij in dit opzicht een onbetrouwbaar persoon is. We schrijven zijn gedrag toe aan stabiele oorzaken die binnen Kees zelf liggen, zijn persoonlijkheid ofwel karakter.  Wanneer wij zelf een aantal keren te laat komen (negatief gedrag vertonen) dan weten we dat het komt doordat we de ene keer nog even snel moesten tanken, de volgende keer de brug afgesloten was en de derde keer was onze accu van de telefoon leeg waardoor we niet op tijd op pad gingen. De oorzaken zijn onstabiel (eenmalig) en lagen buiten onze controle. Dit verschil, gedrag bij een ander toewijzen aan de persoonlijkheid en bij onszelf aan de situatie  wordt ook wel de fundamentele attributiefout genoemd. Het verschil, gedrag bij een ander toewijzen aan  interne oorzaken bij die persoon en aan externe oorzaken bij onszelf heet de actor-observer bias. Dit alles samen en nog veel meer vertekeningen in ons brein, bijvoorbeeld slectieve herinneringen zorgen ervoor dat we een consistent en samenhangend verhaal kunnen verzinnen waardoor onze zelfwaardering niet teveel hoeft te leiden.

 

Interne – Externe / Stabiele- Onstabiele attributie

 

Bronnen:

Aronson, E., Wilson, T. D., & Akert, R. M. (2007). Social psychology.

Tavris, C., & Aronson, E. (2007). Mistakes were made (but not by me): Why we justify foolish beliefs, bad decisions, and hurtful acts. Orlando, Fla: Harcourt.

Vonk, R. (2009). Sociale Psychologie. (2e druk). Groningen / Houten: Wolters-Noordhoff

FacebookTwitterGoogle+Share

lees meer

 

Van IST naar SOLL

 

Veranderen

Van IST naar SOLL

 

Wat is nu het probleem? (De IST situatie) ‘’Hoe komt het dat …?’’

  • Waarom is het een probleem en voor wie?
  • Wie ligt waar wakker van en waarom?
  • Wie zijn de betrokkenen bij het probleem en waarom is het probleem voor hen van belang?
  • Wat gaat er eigenlijk concreet fout?
  • Waarom is dat erg?
  • Inventariseer de visies op het probleem.

Wat voor soort probleem is het?

  • Algemeen of specifiek?
  • Is er sprake van concrete gedragingen, attitudes en affectieve reacties bij een aanwijsbare groep mensen?
  • Sociaal psychologisch? (Is het van buitenaf te beïnvloeden?)
  • Is het een individueel of groepsprobleem?
  • Is het een politiek-maatschappelijk, economisch of technisch probleem?
  • Welke aspecten heeft het probleem?
  • Wat zijn de belangrijke en minder belangrijke aspecten?
  • Welk verband is er tussen de aspecten?

Wat zijn mogelijke oorzaken van het probleem?

  • Hoe zou het probleem kunnen zijn ontstaan?
  • Waardoor wordt het probleem veroorzaakt?
  • Via welk proces brengen deze oorzaken het probleem tot stand?

Lijkt het probleem beïnvloedbaar / oplosbaar?

  • Waarom is het probleem nog niet opgelost?
  • Heeft het probleem een positieve functie voor sommige betrokkenen?
  • Wil men het probleem oplossen?
  • Is het mogelijk de relevante attitudes en gedragingen te veranderen?
  • Is er tijd, geld, energie en draagvlak om het probleem op te lossen?
  • Is het wenselijk het probleem op te lossen?
  • Is het probleem een echt probleem?
  • Is er een ethisch verantwoorde oplossing?

Wat doen we er nu aan en werkt dit?

  • ………, ja. Waarom is het dan nog een probleem?
  • ………, nee. Wat kunnen we anders doen zodat het probleem zich niet meer voordoet?

 

"Plan

Plan > Do > Check > Act cyclus

 

Hoe ziet de ideale situatie (de SOLL situatie) er uit?

  • Waaraan zouden we merken dat het probleem opgelost is?

Wat zou er volgens jou gedaan moeten worden om tot de ideale / SOLL situatie te komen?

  • Ieder voor zich zonder de naam erbij, in stilte op papier, de mogelijke oplossingen die in je opkomen opschrijven. ‘’Ik denk dat …’’.
  • Wanneer iedereen klaar is de papieren verzamelen, door elkaar husselen en aan de deelnemers uitdelen zodat hopelijk de meesten iemand anders’ papiertje krijgen.
  • Vervolgens per persoon  de briefjes voor laten lezen en door iemand over laten nemen op een flipover vel of whiteboard.
  • Uit de hele lijst een top drie van oplossingen filteren door per oplossing deelnemers te laten stemmen.

Wie gaat wat doen? (SMART)

  • Hoe gaan we dat doen?
  • Wanneer gaan we dat doen?

Wanneer evalueren we de nieuwe interventie?


lees meer

Communicatie

Communicatie is een proces dat begint bij een zender die iets wil overdragen aan een ontvanger. Hij heeft een boodschap die hij via een medium stuurt naar een ontvanger. Bij verbale communicatie gebruikt de zender gesproken en geschreven taal. Bij non-verbale communicatie worden alle niet-talige vormen van communicatie bedoeld, zoals, het oogcontact, de stem, de geur, de gebaren. Watzlawick (1991) noemt dit digitale en analoge taal. Digitale taal is de ‘afgesproken’ taal. Het gaat dan om de gesproken taal die men kan decoderen door de betekenis ervan op te zoeken in een woordenboek. Bij analoge taal hebben we het over niet-afgesproken, vaak non-verbale communicatie zoals lichaamstaal (lichaamshoudingen, gezichtsuitdrukkingen en lichaamsbewegingen) die voornamelijk onbewust verlopen.

Een boodschap heeft:

    • Een zakelijk aspect: de beschrijving van feiten, de informatie in de boodschap.
    • Een expressief aspect: het gevoel, de emotie die de zender via de boodschap uit.
    • Een relationeel aspect : de verhouding van de zender en ontvanger tot elkaar die uit die boodschap blijkt.
    • Een appellerend aspect: het beroep dat op de ontvanger wordt gedaan met de boodschap (Michels, 2013).

Endt-Meijling (2007), onderscheidt 4 niveaus van communicatie:

  • Communicatie op betrekkingsniveau: communicatie die iets zegt over de relatie die je met de ander hebt.
  • Communicatie op inhoudsniveau: de communicatie inhoudelijk zo helder proberen te maken dat deze onafhankelijk is van de relatie tussen de gesprekspartners.
  • Impliciete communicatie: een vorm van communicatie waarbij we niet uit kunnen gaan van de letterlijke inhoud, maar waarbij we voor de juiste interpretatie kennis moeten hebben van de spreker, waartoe deze behoort en de context waarin gesproken wordt.
  • Expliciete communicatie: boodschappen waarbij men voor de juiste interpretatie kan volstaan met de inhoud van de boodschap.
Contexts of communication

Contexten van communicatie, (West & Turner, 2010).

De boodschapper probeert zijn gedachten te encoderen in een begrijpelijke boodschap voor de ontvanger. De ontvanger probeert deze boodschap om te zetten in eigen gedachten. Dit heet decoderen. Ieder persoon heeft een eigen referentiekader (gewoonten, regels, ervaringen, normen en waarden waarop de ontvanger zijn denken en handelen baseert). Het is dus belangrijk dat de zender van de boodschap zich probeert in te leven in de gedachten en behoeften van de ontvanger (Michels, 2013). Hoewel het zo kan lijken is de ontvanger nooit passief, want hij selecteert en koppelt de informatie aan de eerder aanwezige kennis die hij heeft en geeft hier vervolgens een eigen betekenis aan. Zo komt een ontvanger dus altijd tot een persoonlijke selectie, verwerking en dus ook tot een eigen waarneming en interpretatie van de boodschap. Je kunt geen ‘objectieve informatie injecteren’ in mensen (Michels, 2013). Het is dan ook aan te raden om te checken of de informatie die gegeven is begrepen is zoals deze bedoeld was door de zender. Wanneer de ontvanger reageert noemen we dit feedback. Als de zender daar weer op reageert heet dit terugkoppeling.

 

Communicatieproces

Communicatie proces, (Guffey, 2008).

 

Factoren die een rol kunnen spelen tijdens communicatie:

  • Maatschappelijke en omgevingsfactoren: De omgeving en situatie spelen een rol bij communicatie. Bijvoorbeeld het moment van de dag, als iemand een ochtendhumeur heeft, of de plaats, bijvoorbeeld op kantoor (formeel) of buiten op een bankje (informeel).
  • Cultuurverschillen zoals individualisme/collectivisme, machtsafstand/gelijkheid, mate van onzekerheidsmijding, masculiniteit/femininiteit en korte termijn oriëntatie/lange termijn oriëntatie kunnen een rol spelen.
  • Ruis: Interne ruis, de communicatie wordt verstoord door factoren binnen het directe communicatieproces. (Bijvoorbeeld wanneer zender en/of ontvanger de boodschap niet goed onder woorden kunnen brengen door onder andere een taalbarrière, maar bijvoorbeeld ook door een cultuurbarrière of persoonlijkheidseigenschappen zoals extraversie en introversie).

Referentiekaders, (West & Turner, 2010).

Individualisme

Individualisme (Wood, 2011)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Randvoorwaarden voor een constructief gesprek:

  • Inhoudsniveau: De feitelijke zaak wordt inhoudelijk besproken (inhoudelijk aspect).
  • Procedureniveau: de afspraken die nodig zijn om het inhoudelijke gesprek te laten plaatsvinden. Tijd, locatie, voorzitter, sprekers, werkvormen (procedureel aspect).
  • Interactieniveau: de manier van omgaan met elkaar, de omgangsvormen. Het wel of niet aanwezig zijn van vertrouwen en respect voor elkaar (relationeel aspect).
  • Gevoelsniveau: Het gevoel dat mensen hebben tijdens het gesprek, als gevolg van bovenstaande niveaus maar bijvoorbeeld ook door externe dingen zoals de thuissituatie (Dirkse-Hulscher, S. & Papas-Talen, 2007).

Houdt aandacht voor alle niveaus, herken en benoem problemen direct zodat de ‘storing’ niet verder naar beneden zakt en een constructieve communicatie in het gedrang brengt.

 

Bronnen

Endt-Meijling, M. v. (1999). Met nieuwe ogen: Werkboek voor de ontwikkeling van een transculturele attitude / martha van endt-meijling. Bussum: Coutinho.

Dirkse-Hulscher, S., & Papas-Talen, A. N. (2007). Het groot werkvormenboek: Dé inspiratiebron voor resultaatgerichte trainingen, vergaderingen en andere bijeenkomsten / sasja dirkse-hulscher en angela talen ; [tek.: Sasja dirkse-hulscher] (1ste dr. ed.). Den Haag: Academic Service.

Guffy, M. E. (2008). Business Communication 6th ed. South-Western Cengage Learning, USA

Michels, W. J. (2013). Communicatie handboek: Wil Michels (Vierde druk. ed.). Groningen: Noordhoff Uitgevers.

West, R. L., & Turner, L. H. (2010). Introducing communication theory: Analysis and application. Boston: McGraw-Hill.

Wood, J. T. (2011). Communication mosaics: An introduction to the field of communication. Boston, MA: Wadsworth Cengage Learning.


lees meer

Hoe politici en media ons ‘feiten’ voorgekauwd aanleveren.

Dagelijks horen en zien we dat er in de media berichten, bijvoorbeeld  over vluchtelingen waarin termen als ‘het asielzoekersprobleem’, ‘een tsunami van …”, ”een bedreiging van onze democratie”, ”asielzoeker”, ”gelukszoeker”, etc. worden gebruikt. Deze berichten laten altijd maar een beperkt deel van de waarheid zien. Politici kiezen de stukjes informatie die ze gaan benadrukken en de stukjes informatie die ze gaan weglaten en de korte krachttermen waarvan ze willen dat die gaan blijven hangen bij het publiek. Het filteren en selecteren van informatie wordt framing genoemd. Politici en media gebruiken termen die de kijker, lezer of luisteraar onbewust overnemen. De frames waarin politici en media de gebeurtenissen gieten bepalen hoe we de kern van het probleem (volgens hen zouden moeten) zien. De meeste mensen hebben geen tijd of missen de vaardigheden om uit te zoeken of er daadwerkelijk een probleem aan de hand is zoals in de media geroepen wordt. Als ze een beslissing moeten nemen baseren ze zich op de subjectieve informatie die hen is aangeleverd door de media.

Definitie van  framing: ‘’conceptuele gereedschappen die door media en individuen vertrouwd worden om informatie over te dragen, te interpreteren en te evalueren’’ (Neuman et al., 1992, p. 60). ‘’Zij zetten de parameters  waarbinnen burgers publieke gebeurtenissen discussiëren’’ (Tuchman, 1978, p. IV). ‘’Het zijn: persistente selectie, benadrukking en uitsluiting’’ (Gitlin, 1980, p. 7). Framing is het selecteren van ‘’sommige aspecten van een geïnterpreteerde werkelijkheid’’ om hun opvallendheid te vergroten’’ op een manier die één bepaalde manier van probleemdefinitie, oorzakelijk verband, morele evaluatie en / of oplossing promoot’’ (Entman, 1993, p. 53). ‘’veranderingen in oordeel veroorzaakt door de subtiele wijzigingen in de definitie van oordeel of keuze van problemen’’ (Iyengar, 1987, p. 816). Anders verwoord is een framing effect, ‘’eentje waarin de opvallende kenmerken van een boodschap (hoe deze georganiseerd is, hoe deze inhoudelijk geselecteerd is, of de thematische structuur) bepaalde toepasselijke gedachten teweegbrengt, die resulteren in activatie van deze gedachten en het gebruik ervan wanneer geoordeeld moet worden’’ (Price et al., 1997, p. 486). Voorbeelden van frames die veel in de media worden ingezet:

 

Conflict frame

Deze frame benadrukt conflict tussen individuen, groepen, of instellingen om de interesse van het publiek te vangen.

Conflict frame

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Human interest frame

Deze frame brengt een menselijk gezicht of een emotionele invalshoek tot de presentatie van een gebeurtenis.

Meestal horen we cijfers. ”Er zijn vorig jaar 200.000 asielzoekers Europa binnen gekomen. Er zijn deze week 1800 asielzoekers Nederland binnengekomen. Er zijn 300 personen omgekomen toen het bootje omsloeg.” Het zijn allemaal nietszeggende cijfers waar de meeste van ons het noch warm noch koud van krijgen. En niet omdat we harteloze mensen zijn maar omdat cijfers nu eenmaal te abstract zijn om empathie te genereren. Empathie krijgen we wanneer we dat kleine ventje levenloos op het strand zien liggen. Dan wordt het ons duidelijk dat het geen cijfers maar individuele mensen zijn die vluchten en daarbij omkomen. Mensen zoals u en ik.

 

Humane frame

Human frame

 

 

Economische consequenties frame

Deze frame rapporteert een gebeurtenis, probleem of onderwerp in termen van economische consequenties die het zal hebben op een individu, groep, regio of land.

Voor zijn eigen belangen vermeldt de heer Wilders wel dat er 36.000 euro wordt uitgegeven aan 1 asielzoeker per jaar in 2014 maar vertelt hij er niet bij dat dit neerkomt op een bedrag van ca. 52 euro per inwoner van Nederland aan kosten per jaar. Jawel het kost iedere Nederlander ca.52 euro per jaar om 1 asielzoeker een jaar lang van een veilig onderkomen, voedsel en onder andere van juridische begeleiding en onderwijs te voorzien. Veel hè? De 867 miljoen euro totale kosten die in 2014 zijn gemaakt voor de kosten van opvang en begeleiding van asielzoekers zijn overigens maar 0,0035% van het totale inkomen van Nederland in 2015.
Image and video hosting by TinyPic

 

Morality frame

Deze frame zet de gebeurtenis, het probleem of onderwerp in de context van godsdienst of morele voorschriften.

 

Morality frame

Morality frame

 

 

Responsebility frame

Deze frame presenteert informatie op  zo’n manier dat de verantwoordelijkheid voor de oorzaak van de gebeurtenis of het probleem wordt neergelegd bij een individu, groep of de regering. Wanneer de nieuwsmedia op televisie een gebeurtenis, probleem of onderwerp als een losstaande gebeurtenis in beeld brengen (episodisch) in plaats van de grotere historische, sociale context (thematisch) er bij te vermelden zorgt dit er voor dat kijkers met een begrip, uitleg, of mogelijke oplossing voor het probleem komen dat gebaseerd wordt op individueel niveau (Iyengar, 1991)

Zo zegt Mark Rutte bijvoorbeeld dat allochtone jongeren zich moeten invechten in de Nederlandse samenleving. Daarmee legt hij de verantwoordelijkheid bij Mohammed (de allochtone jongere) neer om succes te bereiken (succes in dit verband is een gelijke behandeling door de overheersende groep die in de meerderheid is en daarmee alle spelregels / normen bepaalt). Wanneer Mohammed niet succesvol is ligt de oplossing van zijn probleem alleen maar bij één persoon volgens Rutte. Maar kan Mohammed er iets aan doen dat hij veel minder vaak dan een autochtone Nederlander wordt wordt uitgenodigd op een sollicitatiegesprek? Dat dit mede resulteert in een langere tijd waarin hij gebruik maakt van uitkeringen? Overigens verwijst Rutte naar het anekdotische bewijs dat je als allochtoon ook burgemeester van Rotterdam kunt worden en legt hij op basis van degelijk onderzoek verkregen statistisch cijfermateriaal omtrent discriminatie wat zich dagelijks (NU, VANDAAG, IEDERE DAG!!!) in Nederland afspeelt naast zich neer.

Responsebility frame

Responsebility frame

Bronnen:

Entman, R. (1993). Framing: Toward clarification of a fractured paradigm. Journal of Communication,43(4), 51–58.

Gitlin, T. (1980). The whole world is watching: Mass media in the making and unmaking of the NewLeft. Berkeley: University of California Press.

Iyengar, S., & Kinder, D. R. (1987). News that matters. Chicago: University of Chicago Press.

Iyengar, S. (1991). Is anyone responsible? How television frames political issues. Chicago: University of Chicago Press.

Neuman, W. R., Just, M. R., & Crigler, A. N. (1992). Common knowledge. Chicago: University of Chicago Press.

Price, V., Tewksbury, D., & Powers, E. (1997). Switching trains of thought: The impact of news frames on readers’ cognitive responses. Communication Research, 24, 481–506.

Semetko, H. and Valkenburg, P. (2000), Framing European politics: a content analysis of press and television news. Journal of Communication, 50: 93–109. doi: 10.1111/j.1460-2466.2000.tb02843.x Tuchman, G. (1978). Making news. New York: Free Press.


lees meer

Als ik, of iemand anders je een maand of drie geleden gevraagd had om een emmer vol ijskoud water over jezelf heen te gieten en dat op Facebook te posten dan had je me waarschijnlijk voor gek verklaard en heel hard uitgelachen. Of, als ik je vriendelijk gevraagd had om 100 euro te doneren voor ALS (Amyotrofische Laterale Sclerose) was de kans klein dat je dat zou doen. Hoe komt het dan dat heel veel mensen het nu toch ‘vrijwillig’ doen? Doen ze het echt omdat ze geven om ALS ? Er zijn immers vele verschillende ziekten en instanties die daar onderzoek naar doen die allemaal het geld erg goed kunnen gebruiken. Waarom wel ALS en bijvoorbeeld niet KWF kankerbestrijding of een ander goed doel? Heeft het te maken met de manier van marketing? Een aantal redenen waarom de meeste mensen de ice bucket challenge of de donatie nu wel doen kunnen zijn:

 

Bill Gates Ice Bucket ALS

Bill Gates Ice Bucket ALS

1 ‘Basking in reflected glory’ Uit onderzoek dat gedaan is door Robert Cialdini in 1976 blijkt dat mensen zich graag publiekelijk associëren met mensen die succesvol zijn. Studenten van een universiteit waren in grotere mate bereid om kleding te dragen met de naam van hun universiteit  wanneer hun universiteitsfootballteam gewonnen had dan wanneer hun team verloren had. Ook gebruikten studenten het woordje ‘we’ meer wanneer hun team had gewonnen dan wanneer ze hadden verloren. De studenten deden dit volgens Cialdini om hun eigen publieke  imago op te krikken. De experimenten lieten zien dat wanneer het publieke imago van iemand bedreigd werd diegenen het meest bereid waren om hun connectie te benoemen met een positieve bron. Wij associëren ons graag met succesvolle mensen en hopen dat een stukje van hun succes zich op deze manier ook op ons neerslaat. Dus wanneer de icebucket challenge niet door zeer succesvolle mensen (Mark Zuckerberg, Bill Gates etc.) begonnen of geadopteerd zou zijn dan zou het zeer waarschijnlijk niet zo’n succes geworden zijn.

 

Basking in reflected glory PSV

Basking in reflected glory PSV

2 Sociale bewijskracht ‘’In een bepaalde situatie zien we gedrag als juist in de mate waarin anderen dat gedrag vertonen (Cialdini, 2009)’’. In situaties waarin we niet zo zeker zijn welk gedrag de juiste is om te vertonen kijken we om ons heen wat anderen doen. Wat vele anderen om ons heen doen is in de regel goed. Door datgene te doen wat anderen doen gaan we geruisloos op in de menigte. Een voorbeeld die Cialdini geeft om zelf te proberen is de volgende: Ga op een trottoir staan en kijk 60 seconden naar boven. Grote kans dat veel voorbijgangers gewoon doorlopen, misschien dat er een aantal meekijken. Ga de volgende dag weer naar dezelfde plek en neem deze keer vier vrienden mee die samen met jou meekijken naar de lucht. Deze keer zal het onweerstaanbaar zijn voor voorbijgangers om mee te kijken naar de lucht. Als er zoveel mensen kijken zal er toch zeker iets aan de hand zijn? Als heel veel mensen opeens de icebucket challenge aannemen moet het wel iets goeds zijn. De druk om je te conformeren is groter naarmate meer mensen een bepaald gedrag vertonen. En daarom staat er ook op je laatst gekochte boek ”Al 20.000 exemplaren verkocht”.

 

Sociaal bewijs

Sociaal bewijs

3 Sympathie Het verzoek om een emmer ijskoud water over jezelf heen te gieten komt niet van een vreemde organisatie (stichting ALS). Nee, hij komt van een vriend of vriendin. Iemand voor wie je sympathie voelt. Je giet het water over jezelf niet voor stichting ALS maar omdat je gevraagd wordt door een vriend of vriendin. De band die je hebt met die persoon, je vriendschap, aantrekkingskracht, geborgenheid speelt opeens allemaal een rol in je uiteindelijke daad (Taylor, 1978). Cialdini geeft hierover het voorbeeld van Tupperware party’s. Hierbij wordt een verkoopdemonstratie gegeven bij een vriendin thuis. De verkoopster laat verschillende Tupperware producten zien, maar het echte verzoek om producten te kopen komt indirect van de vriendin die gezellig met iedereen meekletst en iedereen van hapjes en drankjes voorziet. Zij heeft iedereen bij haar thuis uitgenodigd. Jouw sympathie voor je vriendin die je heeft uitgenodigd verplicht je bijna automatisch iets te kopen, al is het maar iets kleins. Zo verplicht het verzoek van je vriend of vriendin op sociale media jou om die challenge aan te nemen. Al je gemeenschappelijke vrienden kijken trouwens mee.  En wat voor zielig persoon zou je wel niet zijn als je het niet deed? Voor een goed doel. Een verzoek afwijzen van een vreemde organisatie is zo moeilijkbniet, maar wat als die van je beste vriend / vriendin komt?

 

Sympathie

Sympathie

Bronnen:

Cialdini, R. B., Borden, R. J., Thome, A., Walker, M. R. Freeman, S., & Sloan, L. R. (1976). Basking in reflected glory: Three (football) field studies. Journal of Personality and Social Psychology, 34, 366-375.

Cialdini, R. (2009). Invloed de zes geheimen van het overtuigen, Academic Service, Den Haag

Taylor, R. (1978). Marilyn’s friends and Rita’s customers: A study of party selling as play and as work, Sociological Review, 26, 573-611, 1978.


lees meer